College van Beroep voor het
bedrijfsleven
No.AWB 03/447 en 03/448 20 februari 2004
9500
Mededingingswet
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. A,
te B, (hierna: A)
2. C, te D, (hierna: C)
appellanten,
tegen de
uitspraken van de rechtbank te Rotterdam (hierna: rechtbank) van 11 maart 2003,
MEDED 02/91 en 02/92 RIP, in de geschillen tussen appellanten en de
directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: d-g
Nma).
gemachtigden van appellanten: mr. A. Jankie, advocaat te Wassenaar
en - voor C -
A, voorzitter van C.
gemachtigden van d-g Nma: mr. A.S.M.L.
Prompers en mr. G.H. van der Kooij, werkzaam bij de Nederlandse
mededingingsautoriteit.
1. De procedure
Op 15 april 2003 heeft het
College van appellanten hoger beroepschriften ontvangen, waarbij hoger beroep
wordt ingesteld tegen de bovengenoemde uitspraken van de rechtbank.
Bij deze
uitspraken zijn de beroepen van appellanten tegen het besluit van d-g Nma van 14
december 2001, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van bezwaarschriften
van appellanten, ongegrond verklaard.
D-g Nma heeft op 19 juni 2003 een
verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben bij brieven van 15 en 22 mei, 26
juni, 10 juli, 25 augustus, 3 september en 24 december 2003, en bij brieven van
5, 9, 10, 12, 13 en 16 januari 2004 nadere stukken toegezonden.
Het onderzoek
ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2004. Bij die gelegenheid is A in
persoon en verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en hebben C en d-g Nma
zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van appellanten
zijn voorts als getuigen verschenen: A, E en F.
2. De grondslag van het
geschil
- Op 2 januari 1998 heeft C een klacht ingediend bij d-g Nma tegen
prijsafspraken tussen KLM, SLM en ALM op de vliegverbindingen
Amsterdam-Paramaribo, Amsterdam-Nederlandse Antillen en Nederlandse
Antillen-Paramaribo v.v., en tegen misbruik van een monopoliepositie door KLM
en/of SLM.
- Naar aanleiding van deze klacht heeft d-g Nma een onderzoek
ingesteld.
- Bij brief van 3 mei 2000 heeft d-g Nma C verzocht om toezending
van haar statuten.
- Bij brief van 6 mei 2000 heeft C aan dit verzoek gevolg
gegeven.
- Bij besluit van 8 oktober 2001 heeft d-g Nma de klacht, door hem
opgevat als een verzoek om toepassing van artikel 56 van de Mededingingswet,
afgewezen. In dit besluit is onder meer het volgende overwogen:
" Hoewel er
op grond van de Statuten van C geen aanleiding lijkt te bestaan om C als
belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) aan te merken, laat de d-g NMa beantwoording van de vraag naar
belanghebbendheid in dit besluit in het midden.
Vanwege de aard en ernst
van de mogelijke inbreuken op de Mw alsmede vanwege de regelmatig voorkomende
(kranten)berichtgevingen over die mogelijke inbreuken, acht de d-g NMa een
onderzoek in deze, ook indien geen sprake is van een aanvraag in de zin van
artikel 1:3 Awb, van belang."
- Bij brieven van 15 oktober 2001 hebben A
en C tegen dit besluit bezwaarschriften ingediend.
- Bij brief van 17 oktober
2001 heeft d-g Nma C verzocht binnen één week een machtiging, afgegeven door een
daartoe bevoegde persoon of personen, toe te zenden.
- Bij brief van 22
oktober 2001 heeft A, namens C, d-g Nma als volgt bericht:
" Betreft: zaak 11
bezwaar C
Aangaande: Uw telefonisch verzoek
(…)
Op verzoek van Uw
medewerkster Mevrouw G, doen wij U de statuten van de rechtspersoon, C toekomen.
Hierin kunt U zien hoe de vertegenwoordiging van C, is
geregeld.
(…)"
- Bij brief van 15 november 2001 heeft d-g Nma A
medegedeeld dat C in het bezwaarschrift van 15 oktober heeft aangegeven waarom
zij meent dat zij belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb. Aan A zelf heeft
hij vervolgens de vraag gesteld waarom deze meent dat hij belanghebbende is in
de zin van genoemd artikel.
- Bij brief van 24 november 2001 heeft A hierop
gereageerd.
- Vervolgens heeft d-g Nma de bezwaarschriften met toepassing van
artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard, omdat A en C niet kunnen worden beschouwd als belanghebbenden in de
zin van artikel 1:2 Awb.
- Hiertegen hebben appellanten beroep ingesteld bij
de rechtbank.
3. De uitspraken van de rechtbank.
De rechtbank heeft
het beroep van A bij haar uitspraak van 11 maart 2003 MEDED 02/92 RIP ongegrond
verklaard. Hiertoe is onder meer overwogen:
" De rechtbank stelt vast dat
eiser, als frequente reiziger op de vliegroute Amsterdam-Paramaribo v.v. terzake
een objectief bepaalbaar en voldoende actueel belang heeft. Ook staat vast dat
eiser terzake enig eigen belang heeft. De rechtbank is echter, met verweerder,
van oordeel dat daarbij geen sprake is van een belang dat zich in rechtens
relevante mate onderscheidt van dat van andere - ongeveer 300.000 - Surinaamse
Nederlanders die gebruik maken van dezelfde route. Onvoldoende aannemelijk is
geworden dat ten aanzien van eiser sprake is van zodanig specifieke of
bijzondere omstandigheden, dat hij zich op die grond zou onderscheiden van een
willekeurige andere Surinaams Nederlandse reiziger. Het enkele feit dat eiser
wellicht vaker reist dan gemiddeld biedt daarvoor onvoldoende
aanknopingspunt."
De rechtbank heeft het beroep van C bij uitspraak van
11 maart 2003 MEDED 02/91 RIP eveneens ongegrond verklaard. Hiertoe is
overwogen:
" De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of
verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar van
eiseres kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen belanghebbende is bij
het besluit van verweerder van 8 oktober 2001. Voor het beantwoorden van deze
vraag gaat de rechtbank uit van de door eiseres aan verweerder verstrekte
statuten van 22 mei 1987. Voorzover er gewijzigde statuten zijn, is niet
gebleken dat deze door eiseres aan verweerder voorafgaand aan het nemen van het
bestreden besluit ter beschikking zijn gesteld, zodat verweerder deze niet aan
het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Daarbij weegt mee dat
ook al in het besluit van 8 oktober 2001 de vraag naar het aanmerken van eiseres
als belanghebbende aan de orde is gesteld, terwijl eiseres nadien bij brief van
22 oktober 2001 aan verweerder wederom de statuten van 22 mei 1987 heeft
toegezonden.
Allereerst stelt de rechtbank, met verweerder, vast dat
eiseres niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de
Awb kan worden aangemerkt. Als vereniging heeft zij geen eigen rechtstreeks
belang, maar behartigt zij juist de belangen van haar leden.
Met
verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat eiseres evenmin als
belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb kan worden
aangemerkt. Het tegengaan van misbruik van machtspositie van KLM dan wel SLM -
of zelfs meer algemeen het opkomen voor verlaging van de vliegtarieven op de
route Amsterdam-Suriname v.v. - is immers geen belang dat eiseres krachtens de
doelstelling in de Statuten in het bijzonder behartigt. De doelstelling van
eiseres, het behartigen van de sociaal-culturele belangen van de leden is
daarvoor te algemeen.
Het enkele feit dat eiseres krachtens haar
feitelijke werkzaamheden opkomt voor het belang van verlaging van de
vliegtarieven biedt krachtens vaste jurisprudentie onvoldoende aannopingspunten
voor het oordeel dat eiseres opkomt voor een belang dat zij in het bijzonder
behartigt. De in de wet gestelde voorwaarden dat het bijzonder belang moet
volgen uit de doelstelling en de feitelijke werkzaamheden zijn cumulatief.
(…)
Tenslotte levert ook op zichzelf het opkomen voor specifieke belangen
van haar leden voor eiseres evenmin een algemeen en collectief belang op in de
zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb."
4. De grieven van
appellanten
Appellanten hebben - samenvattend weergegeven - tegen de
uitspraken van de rechtbank de volgende grieven aangevoerd.
Ten onrechte
heeft de rechtbank geoordeeld dat het belang van A zich niet onderscheidt van
dat van andere Surinaamse reizigers op de route Amsterdam-Paramaribo. De
rechtbank heeft geen rekening gehouden met het feit dat hij, anders dan de
gemiddelde Surinaamse Nederlander, vier maal per jaar naar Suriname reist, waar
hij eveneens woonplaats heeft. Verwezen wordt naar de getuigenverklaringen
terzake van E en F. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de klacht bij d-g
Nma mede door A ingediend.
Ten onrechte heeft de rechtbank haar oordeel dat
d-g Nma zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat C geen belanghebbende is
in de zin van artikel 1:2 van de Awb, gestoeld op de statuten zoals zij luidden
na de vaststelling op 22 mei 1987. Deze statuten zijn gewijzigd in de Algemene
Ledenvergaderingen van 12 februari 1989 en 25 februari 1997, zoals blijkt uit
een bijlage bij die statuten. De bijlage is beide malen dat de statuten zijn
toegezonden aan d-g Nma, meegestuurd, maar kennelijk in het ongerede geraakt.
Verwezen wordt te dezen naar de getuigenverklaringen van F en A. Ten onrechte
heeft de rechtbank nagelaten deze getuigen te horen.
Het belang van C is
voorts rechtstreeks betrokken bij het besluit van d-g Nma tot afwijzing van de
klacht omdat zij de tickets betaalt van degenen die voor haar op de route
Amsterdam-Paramaribo reizen.
Het oordeel van de rechtbank dat consumenten
geen belanghebbenden kunnen zijn staat op gespannen voet met artikel 94 van de
Grondwet in samenhang met de bepalingen van internationale verdragen op grond
waarvan de toegang tot de rechter dient te worden gewaarborgd.
5. De
beoordeling van de hoger beroepen
5.1 Het College volgt niet de door beide
appellanten geopperde stelling dat sprake is van schending van internationale
verdragsbepalingen die de toegang tot de rechter waarborgen. Terecht heeft de
rechtbank overwogen dat deze regels niet beletten dat de nationale wetgever
beperkingen stelt ten aanzien van de gevallen waarin en het tijdstip en de wijze
waarop men zich tot de rechter kan wenden, mits (de toepassing van) die regels
aan het oordeel van de onafhankelijke rechter (kan) kunnen worden onderworpen.
Voor zover in dit verband beoogd is te betogen dat artikel 1:2 van de Awb buiten
toepassing zou moeten blijven omdat het aanwenden van rechtsmiddelen op grond
van die wet tegen besluiten van bestuursorganen beperkt is tot diegenen wier
belangen rechtstreeks bij het aangevallen besluit zijn betrokken, verwerpt het
College dit betoog. De door appellanten genoemde bepalingen uit internationale
verdragen sluiten een dergelijke beperking niet uit.
5.2 Met betrekking tot
het hoger beroep van A in de zaak AWB 03/447 overweegt het College voorts als
volgt.
Met de rechtbank is het College van oordeel dat d-g Nma zich terecht
op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van A niet rechtstreeks betrokken
waren bij de afwijzing van de klacht. A's belangen onderscheiden zich
onvoldoende van de belangen van alle andere gebruikers van de luchtlijn
Amsterdam-Paramaribo, van welke nationaliteit ook. De omstandigheid dat A (zeer)
frequent van deze luchtlijn gebruik maakt, maakt dit niet anders, evenmin als de
reden daarvoor: het - mede - woonplaats hebben in Suriname. Aan de te dien
aanzien door de beide getuigen ter zitting afgelegde verklaringen hecht het
College dan ook niet de betekenis die A daaraan toegekend wil zien.
Uit het
vorenstaande volgt dat de grieven tegen de uitspraak van de rechtbank met
betrekking tot het beroep van A geen doel treffen.
5.3 Ten aanzien van het
hoger beroep van C in de zaak AWB 03/448 overweegt het College als
volgt.
Artikel 2 van de Statuten van de "C", zoals vastgesteld op 22 mei
1987, waarover d-g Nma beschikte ten tijde dat hij het bezwaarschrift van C
niet-ontvankelijk verklaarde luidt:
" De vereniging stelt zich ten doel het
behartigen van de Sociaal Kulturele belangen van de leden."
Het
uittreksel van de ledenvergaderingen van 12 februari 1989 en 25 februari 1997,
zoals overgelegd bij de rechtbank luidt:
" 1. Op de ledenvergadering van 12
februari 1989 is (…) besloten het doel der statuten, artikel 2 van de C uit te
breiden, opdat deze thans luidt:
a. De vereniging stelt zich ten doel het
behartigen van de sociaal kulturele belangen van de leden;
b. Het behartigen
van de overige belangen van haar leden, voor zover deze niet reeds eerder zijn
genoemd;
c. Het aan de orde stellen en bestrijden van onrecht inclusief
schendingen van Mensenrechten;
d. Het bestrijden van onrecht middels het
recht waaronder ook discriminatie alsmede rassendiscriminatie;
e. Het
optreden als procespartij;
f. Het optreden als procesgemachtigde.
2.
Op de ledenvergadering van 25 februari 1997 is (…) besloten het doel der
statuten, artikel 2 van de C uit te breiden met:
g. Zich in te zetten voor de
sociaal, economie en de bereikbaarheid van en tussen Suriname, Nederland,
Nederlandse Antillen en Aruba en overige landen in de ruimste zin des
woords;
h. Het verbeteren en vergroten van de luchtvaartverbindingen tussen
Suriname, Nederland, Nederlandse Antillen en Aruba onderling alsmede met overige
bestemmingen;
i. Het bevorderen en de kwaliteit van de dienstverlening van
luchtvaartmaatschappijen in verhouding tot de prijs der vluchten."
Het
College overweegt in de eerste plaats dat de rechtbank op goede gronden heeft
geoordeeld dat uit de doelstelling die is neergelegd in de statuten van 1987
niet blijkt van een in het bijzonder door C behartigd belang dat bij het besluit
tot afwijzing van de klacht is betrokken. Indien van deze statuten wordt
uitgegaan moet het standpunt van d-g Nma dat C geen belanghebbende is in de zin
van 1:2 van de Awb worden gevolgd.
C heeft, onder verwijzing naar hetgeen
schriftelijk en mondeling ter zitting van het College is verklaard door E en A,
gesteld dat de bijlage waarin het uittreksel is vervat tegelijkertijd met de
statuten aan d-g Nma is toegezonden, zodat de rechtbank had moeten oordelen dat
d-g Nma deze bijlage ten onrechte niet bij zijn beoordeling heeft
betrokken.
Ook op dit punt deelt het College het oordeel van de rechtbank, in
dier voege dat, wat er zij van de verzending van de bijlage, niet is gebleken
dat deze bij d-g Nma bekend was ten tijde dat deze zijn besluit nam, zodat hij
deze bijlage ook niet in zijn afweging kon betrekken.
Nochtans heeft het
College bedenkingen tegen de aangevallen uitspraak. Overwogen wordt als volgt.
D-g Nma heeft in het kader van de bezwaarschriftprocedure gevraagd om
toezending van de statuten, echter niet in het verband van toetsing aan het
belanghebbendebegrip, maar in het verband van de rechtsgeldige
vertegenwoordiging. Dat er twijfel bestond omtrent de doelstelling van C kon uit
het verzoek, voor zover het College uit de stukken heeft kunnen afleiden, niet
blijken. Na ontvangst van de statuten heeft d-g Nma zonder verder contact met C
en zonder haar te horen het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Aldus is
C niet in de gelegenheid geweest om - in het geval dat de bijlage op enigerlei
wijze zou zijn zoekgeraakt of in het geval van mogelijke twijfel daaromtent -
nader bewijs te leveren van haar stelling dat zij op grond van haar doelstelling
zoals die luidde ten tijde dat zij haar bezwaarschrift indiende, belanghebbende
was.
In die omstandigheid had de rechtbank naar het oordeel van het College
niet mogen volstaan met de constatering dat d-g Nma ten tijde dat hij het
besluit nam slechts beschikte over de statuten van 1987, maar had zij dienen na
te gaan of, zoals C stelde, inderdaad sprake was van een rechtsgeldige wijziging
van die statuten ten tijde van belang en, zo ja, of de in die wijziging
neergelegde doelstelling tot het oordeel kan leiden dat de belangen van C
rechtstreeks bij de afwijzing van de klacht zijn betrokken. Dat reeds in
laatstbedoeld besluit twijfel werd uitgesproken over de vraag of C
belanghebbende was leidt niet tot een ander oordeel, zulks enerzijds in het
licht van het feit dat in de brief van 17 oktober 2001 hierover niet wordt
gerept en anderzijds van C's stelling dat zij de bijlage heeft
meegezonden.
Een en ander leidt in de zaak AWB 03/448 tot het oordeel dat de
uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Het College is van oordeel
dat de zaak, om andere redenen dan opgesomd in artikel 28, eerste lid, aanhef en
onder a van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, opnieuw in eerste
aanleg moet worden behandeld, zodat de zaak op grond van het bepaalde in
voormeld artikel onder b wordt terugverwezen naar de rechtbank.
Het College
acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in de zaak AWB 03/448 met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Aan C dienen de kosten van
rechtsbijstand te worden vergoed, welke worden vastgesteld op € 322,--. Voorts
komen voor vergoeding in aanmerking de reis- en verletkosten van de getuige E
welke worden vastgesteld op € 98,38 (verletkosten 5 uren x € 17,02 als
gedeclareerd en reiskosten € 13,28 van H naar Den Haag v.v. op basis van
openbaar vervoer tweede klasse). De reis- en verletkosten van de getuige F komen
niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien zijn verklaring geen betrekking
had op het hoger beroep in de zaak AWB 03/448. De door A gedeclareerde kosten
komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien hij reeds als partij in zijn
eigen zaak en als gemachtigde voor C ter zitting aanwezig was. Voorts dient het
betaalde griffierecht aan C te worden vergoed.
6. De beslissing
Het
College:
- vernietigt in de zaak AWB 03/448 de uitspraak van de rechtbank van
11 maart 2003, MEDED 02/91 RIP;
- verwijst de zaak terug naar de rechtbank te
Rotterdam;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure welke
worden vastgesteld op € 420,38 (zegge: vierhonderdtwintig euro
en
achtendertig cent), te betalen door de Staat;
- bepaalt dat het door C
betaalde griffierecht ten bedrage van € 348,- (zegge: driehonderdachtenveertig
euro) door de Staat
aan haar wordt vergoed;
- verklaart het hoger beroep
van A (zaak nr. AWB 03/447) ongegrond.
Aldus gewezen door mr. C.M.
Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L.
van der Weele, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari
2004.
w.g. C.M. Wolters w.g. M.B.L. van der
Weele